Participate!
Menu
Delen via:
Home

Woordenlijst

ADHD
ADHD is de afkorting die gebruikt wordt voor de kinderen of volwassenen met een aandachtsstoornis met hyperactiviteit. ADHD is een ontwikkelingsstoornis die wordt gekenmerkt door een concentratietekort (aandachtsstoornissen), impulsiviteit (ze handelen zonder eerst te overwegen wat de consequenties zijn) en/of hyperactiviteit (overactief). Algemeen worden deze kenmerken bij heel veel kinderen opgemerkt. Bij ADHD zijn de kenmerken echter in die mate aanwezig dat er beperkingen zijn in de ontwikkeling (school, sociaal, werk). De kenmerken moeten bovendien in verschillende contexten geobserveerd worden, bijvoorbeeld op school én thuis.

Alternatieve comunicatievormen
De hulptechnieken die worden aangewend wanneer de taal niet of weinig aanwezig of functioneel is. Alternatieve communicatievormen omvatten alle communicatie naast de gesproken taal. Er zijn 4 vormen te onderscheiden: motorisch-visuele communicatievormen (gebaren en lichaamsbewegingen), grafisch-visuele communicatievormen (pictogrammen, foto’s, tekeningen, …), driedimensionale- tactiele communicatievormen (voorwerpen, braille, …) en akoestisch-geluidsgebaseerde communicatievormen (vocalisaties en spraakklanken).

Autonomie
Autonomie wordt gebruikt als synoniem voor zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid is het vermogen om algemene dagelijkse levensverrichtingen zelfstandig uit te voeren zoals zichzelf verzorgen, eten, omgaan met geld … .

Centrale coherentie
De vaardigheid om tussen een veelheid van prikkels en informatie de samenhang te zien en er binnen de gegeven context een zinvolle betekenis aan te geven.
Mensen met autisme lijken het vermogen te missen om tot zinvolle samenhangen te komen. De centrale coherentiestoornis ontstaat doordat waargenomen prikkels onvoldoende in een zinvol geheel kunnen worden omgezet.

Chronologische vs mentale leeftijd
De chronologische leeftijd is de kalenderleeftijd. De mentale leeftijd is de leeftijd die overeenstemt met het verstandelijke niveau van de persoon en is niet noodzakelijk gelijk aan zijn kalenderleeftijd.

Cognitief
Geestelijk vermogen, processen van de menselijke geest die verband houden met het bevattingsvermogen, met denken en onthouden.

Communicatieproces
Communicatie is een proces waarbij een zender een boodschap overbrengt (informatie geven, een vraag stellen, een emotie tonen, een bepaalde lichaamshouding aannemen, enz.) aan een ontvanger met een welbepaald doel. De communicatie kan verbaal zijn (met taal) of non-verbaal (met gebaren, gezichtsexpressies of gebruik makend van beelden om te communiceren, …).
Bij communicatie is er sprake van een zeker initiatief en een uitwisseling tussen minstens twee personen.

Cortex
De cortex of hersenschors is de buitenste laag van de grote hersenen. In de hersenschors wordt de informatie die ontvangen wordt van de andere delen van het lichaam geanalyseerd en geïnterpreteerd. Deze geïnterpreteerde informatie wordt in de cortex omgezet in gedachten of mentale beelden of geeft aanleiding tot spreken of handelen.

Dyslexie
Kinderen met dyslexie hebben moeite met lezen en spellen. Ze herkennen woorden niet en lezen woorden daarom bijna letter per letter.

Echolalie
Het letterlijk herhalen van woorden of zinnen. Het kan gaan om nazeggen van wat men iemand hoort zeggen of van wat gehoord wordt op televisie of radio. Men maakt een onderscheid tussen onmiddellijke en uitgestelde echolalie. Onmiddellijke echolalie: onmiddellijk nazeggen van wat men hoort. Uitgestelde echolalie: woorden of zinnen na een langer interval nazeggen.

EEG
Elektro-encefalografie is een onderzoek waarbij de hersenactiviteit geregistreerd wordt. Het onderzoek, dat volledig pijn- en gevaarloos is, maakt het mogelijk om de aard en de plaats van eventuele afwijkingen vast te stellen. Er zijn verschillende redenen om een EEG te maken, maar onderzoek naar epilepsie is de belangrijkste.

Éeneiige tweeling
Eeneiige tweelingen ontstaan doordat één bevruchte eicel zich al heel snel na de bevruchting in tweeën splitst. Deze tweelingen hebben dus precies hetzelfde erfelijk materiaal en daarom worden ze ook wel identieke tweelingen genoemd. Het zijn altijd twee jongens of twee meisjes.

Eenzijdige communicatie
Er is sprake van eenrichtingsverkeer:

  • wanneer de zender informatie geeft, maar de ontvanger er niet op reageert;
  • wanneer de zender informatie geeft zonder een reactie van de ontvanger te verwachten.

Empathie
De emoties en de gevoelens van anderen begrijpen (door je te verplaatsen in de ander) zonder deze zelf te ervaren of te beleven (indien wel gaat het eerder over 'meevoelen met de ander').

Empirisch onderzoek
Onderzoek dat op waarneming berust.

Epilepsie
Een stoornis in de hersenfunctie, gekenmerkt door periodieke en onvoorspelbare aanvallen die zich voordoen wanneer de normale gecoördineerde elektrische activiteit van de zenuwcellen verstoord is. De chaotische ontlading van elektrische signalen leidt gewoonlijk tot verlies van de controle over spieren en lichaamsbewegingen (stuipen) en/of waarnemingswijzigingen.

Executief functioneren
Met executief functioneren (E.F.) wordt het doelgericht uitvoeren van taken bedoeld en alles wat daarvoor nodig is: planning, structuur aanbrengen, zelfmonitoring, mentale flexibiliteit en het inhiberen van ongewenste impulsen.

Fenotype
Het fenotype is het geheel van eigenschappen van een persoon, d.w.z. zowel de eigenschappen die zijn geërfd van beide ouders als die na de bevruchting zijn verworven.

Fragiele-X-syndroom
Het fragiele-X-syndroom is een genetische ontwikkelingsstoornis waardoor meestal kenmerkende gedragsproblemen en een lichte tot matige verstandelijke beperking ontstaan. Er zijn ook enkele uiterlijke kenmerken: een relatief lang gezicht, grote oren en een geprononceerde kin. De verschijnselen zijn bij mannen duidelijker aanwezig dan bij vrouwen.

Gedeelde aandacht
Joint attention of gedeelde aandacht is een coördinatie van aandacht tussen een kind en een andere persoon en een voorwerp of een gebeurtenis, waarbij beide partijen zich bewust zijn van de aandachtsfocus van de andere. Bijvoorbeeld; moeder en kind kijken samen naar de eendjes in de vijver en zijn er zich beiden van bewust dat de ander naar hetzelfde kijkt.

Gen
Een gen is de biologische eenheid van erfelijkheid. Genen zijn DNA-structuren die de informatie bevatten die nodig is voor alle overerfbare eigenschappen van het menselijk lichaam. In totaal bevat het menselijke DNA ongeveer 35.0000 verschillende genen.

Gen-omgevingsinteractie
Sommige kenmerken die in de genen aanwezig zijn zullen bij een persoon pas tot uiting komen wanneer er ook bepaalde omgevingsfactoren aanwezig zijn. Bijvoorbeeld: ook als je een genetische aanleg hebt om gemakkelijk te bruinen, zal je pas bruinen als je in de zon komt; als je genetisch een slecht bruinende huid hebt, zal die ook pas verbranden in de zon.

Gezinsdynamiek
De leden van het gezin die elkaar beïnvloeden.

Globalistisch
Zaken in zijn geheel bekijken.

Hersenfuncties
Hersenen verwerken voortdurend informatie en produceren gedrag. Je ziet bijvoorbeeld iets lekkers en je pakt het. In dit proces van informatie verwerken kan je verschillende functies onderscheiden, zoals waarneming (gezicht, gehoor…), taal, motoriek, geheugen, enz. Er zijn ook hersenfuncties die meer te maken hebben met het verwerken van lichamelijke informatie, zoals het regelen van de hartslag, van de hormonen.

Hypogevoelig
Niet of weinig reageren op een zintuiglijke prikkel. Bijvoorbeeld: sommige kinderen met autisme zijn weinig gevoelig voor pijn of voor koude of warme temperaturen.

Hypergevoelig
Overdreven reageren op een gewone zintuiglijke prikkel. Bijvoorbeeld: sommige kinderen met autisme dekken hun oren af wanneer mensen door elkaar praten.

Impulscontrole
Aan bepaalde impulsen, stimulansen of opwellingen kunnen weerstaan of ze uitstellen.

Klinisch beeld
Alle observeerbare kenmerken van een stoornis of ziekte. Het klinisch beeld van een verkoudheid bijvoorbeeld kan bestaan uit: tranende ogen, hoesten, verstopte neus, vermindering van smaak en reuk.

Klinische groepen
De klinische groep van een onderzoek is samengesteld uit personen die voldoen aan bepaalde criteria, bijvoorbeeld kinderen met autisme van 3 tot en met 12 jaar. Doorgaans worden ook uitsluitingcriteria gebruikt, bijvoorbeeld kinderen die een bepaald medicijn gebruiken, kunnen geen deel uitmaken van de klinische groep.

Mentale toestanden (states)
Interne toestanden zoals intenties, overtuigingen, gevoelens, meningen, gedachten, kennis en verlangens.

Milieufactoren
Factoren in de omgeving (het milieu) die een invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling van bepaalde kenmerken bij een persoon. Milieufactoren kunnen via sociale of via biologische mechanismen inwerken. Een sociale milieufactor is bijvoorbeeld de invloed van klasgenoten op het rookgedrag van een jongere. Een biologische milieufactor is bijvoorbeeld de invloed van de aanwezigheid van kleine stofdeeltjes in de lucht op het ontwikkelen van chronisch hoesten.

Motorische stereotypieën
Het steeds herhalen van dezelfde bewegingen (wiegen, rondjes draaien, fladderen met de handen, …).

Neurologie
Binnen de neurologie bestudeert men het complexe samenspel tussen hersenen, zenuwen, ruggenmerg en spieren.

Neuropsychiatrische aandoening
Bij veel psychiatrische aandoeningen verloopt de ontwikkeling van de hersenen lichtjes anders dan bij personen die de aandoening niet hebben. Er is dus iets lichtjes anders in de biologie van de hersenen (=neurologie). De grens van neuropsychiatrische aandoeningen is niet erg duidelijk, maar autisme en schizofrenie bijvoorbeeld horen er zeker bij.

Neuropsychologische deficits
Soms kunnen de hersenen bepaalde taken minder goed verrichten (=deficits). Als dit taken zijn die te maken hebben met het verwerken van informatie spreken we van neuropsychologische deficits. Bijvoorbeeld: de aandacht minder kunnen richten, de juiste woorden niet meer goed vinden.

Niet-verbale leerstoornis – NLD
NLD staat voor Nonverbal Learning Disorder, in het Nederlands niet-verbale leerstoornis. Het is dus een leerstoornis die geen betrekking heeft op taal. Een kind met NLD heeft problemen met het verwerken van wat het ziet of voelt, met het verwerken van nieuwe en ruimtelijke informatie. Een kind met NLD ondervindt ook problemen met het zien van verbanden tussen allerlei verschijnselen of ingewikkelde situaties.

Ongeselecteerde kinderen
De kinderen zijn op willekeurige wijze geselecteerd voor deelname aan een studie.

Pathologisch
Pathologisch is wat op een ziekte wijst. Algemeen verwijst pathologisch naar wat abnormaal of afwijkend van het gewone is.

Perspectiefnemingstaken
Taken waarbij de persoon zich moet verplaatsen in het standpunt van iemand anders.

Prevalentie
Het aantal personen met een ziekte of stoornis op een bepaald tijdstip in een bepaalde populatie.

Primaire en secundaire tekorten
Het primaire tekort is het tekort dat aan de basis ligt van de stoornis. Secundaire tekorten zijn het gevolg van de primaire tekorten.

Propioceptie
Proprioceptie of 'zelfwaarneming' geeft ons informatie vanuit de spieren en de gewrichten over het eigen lichaam zoals de stand van het lichaam, de houding en beweging van het lichaam.

Psychische overweldiging
De onmogelijkheid om met een probleem om te gaan, om steun te zoeken in de buitenwereld of een beroep te doen op innerlijke kracht.

Repetitieve handelingen
Steeds herhalen van dezelfde handelingen.

Rituelen en routines
Particulier en repetitief gedrag dat niet functioneel is (niet nuttig of zinvol). Bijvoorbeeld: eens ingestapt in een wagen moet Jan absoluut de weg nog eens aanraken met zijn voet; aangekomen aan zee wil Daphné eerst pannenkoeken eten in een welbepaalde zaak, wanneer de zaak gesloten is, raakt Daphné helemaal overstuur en wil ze onmiddellijk terug naar huis; altijd een pullover aantrekken om naar buiten te gaan, ook al is het zomers warm, enz.

Schizofrenie
Deze ernstige psychiatrische stoornis wordt gekenmerkt door fundamentele verstoringen van het denken en de waarneming en door een emotionele beleving die niet bij de omstandigheden past. De persoon heeft vaak het gevoel dat zijn intieme gedachten en gevoelens bij anderen bekend zijn of onder invloed van derden staan. Symptomen zijn onder andere wanen, hallucinaties, denkstoornissen en een vlak gevoelsleven. De persoon kan daardoor een vreemde of bizarre indruk maken.

Secundaire symptomen
Symptomen die in de eerste plaats niet gekoppeld zijn aan de stoornis of aandoening, maar die het gevolg zijn van de uitwerking van de stoornis of aandoening op het lichaam en op het functioneren.

Semantiek
Betekenis van de woorden.

Serotonine
Serotonine is een chemische stof die wordt geproduceerd en afgescheiden door zenuwcellen en die invloed heeft op stemming, slaap, emotie, seksuele activiteit en eetlust. Serotonine speelt ook een rol bij de verwerking van pijnprikkels.

Sociaal brein
Het geheel van hersenstructuren dat ons in staat stelt om de handelingen en intenties van andere mensen te begrijpen.

Spiegelneuronen
Hersencellen die actief worden op het moment dat je een bepaalde actie uitvoert, maar ook actief als je iemand anders observeert die dezelfde actie uitvoert. Ze spiegelen als het ware de acties van de ander.

Steekproef
Een steekproef is een selectie uit een totale populatie. In onderzoek wordt vaak met een steekproef gewerkt omdat een studie bij de gehele populatie (bijvoorbeeld alle kinderen tussen 3 en 4 jaar met autisme) te veel tijd zou kosten, niet mogelijk is of te duur zou uitvallen.

Stofwisselingsziekte
Ook: metabole ziekte.
Het metabolisme is het geheel van chemische reacties in het lichaam die ons in staat stellen om goed te functioneren (zich ontwikkelen, zich herstellen, energie produceren en elimineren, …). Deze chemische reacties komen met behulp van enzymen tot stand. Bij een stofwisselingsziekte zijn de chemische reacties verstoord door het ontbreken van een bepaald enzym.

Symbiotische relatie
De term ‘symbiose’ betekent ‘een verbondenheid die duurzaam en wederzijds winstgevend is voor twee levende organismen’. Binnen het domein van de psychologie is een symbiotische relatie een relatie die gebaseerd is op afhankelijkheid. De personen functioneren alsof ze één persoon zijn; ze hebben het gevoel niet compleet te zijn zonder de ander. Een baby voelt zich niet veilig zonder zijn moeder. Wanneer de sterke verbondenheid niet losgelaten wordt, kan dit nefaste gevolgen hebben voor de ontwikkeling van het kind.

Symbolisch spel
Symbolisch spel is een synoniem voor doen-alsofspel. Het kind doet alsof een voorwerp iets anders is, of alsof iets afwezig is, of het kent een imaginaire eigenschap toe aan zichzelf of aan een voorwerp. Enkele voorbeelden: een kind doet alsof hij een piloot is van een vliegtuig; een kind gebruikt een blokje en rijdt ermee alsof het een auto is.

Symptoom
Een symptoom is een uiterlijk kenmerk van een stoornis, aandoening of ziekte. Bijvoorbeeld: echolalie is een symptoom dat wijst op autisme.

Taalpragmatiek
Gebruik van de taal in een sociale context. Weten wat te zeggen, hoe het te zeggen en wanneer het te zeggen. Bijvoorbeeld: als de leerkracht een vraag stelt, weten dat je je vinger moet opsteken, dat je moet wachten tot de leerkracht aangeeft dat je mag antwoorden, dat je een antwoord moet formuleren in functie van de gestelde vraag en in functie van de persoon tot wie je je richt en dat je luid genoeg moet praten zodat de leerkracht en de andere leerlingen het kunnen verstaan.

Tubereuze sclerose
Tubereuze sclerose (ook de ziekte van Bourneville genoemd) is een aangeboren aandoening die gekenmerkt wordt door goedaardige tumoren die zich in diverse organen en weefsels kunnen ontwikkelen en vaak leiden tot epilepsie, verstandelijke beperking en nierproblemen. Tubereuze sclerose gaat vaak gepaard met autisme.

Twee-eiige tweeling
Twee-eiige tweelingen ontstaan doordat gelijktijdig twee eicellen door twee verschillende zaadcellen bevrucht worden. Dan ontwikkelen zich twee kinderen die evenveel op elkaar lijken als 'gewone broers en zussen'. Hun erfelijke aanleg is gemiddeld 50% hetzelfde en ze kunnen zowel van hetzelfde als van een verschillend geslacht zijn.

Universeel en specifiek
Universeel kenmerk: wat gemeenschappelijk is of zeer veel voorkomt bij een bepaalde populatie.
Specifiek kenmerk: wat kenmerkend of typisch is voor een bepaalde populatie en niet voorkomt bij andere populaties.

Veerkracht
Het vermogen om interne en externe mogelijkheden aan te boren om met een probleem om te gaan en de draad weer op te pakken.

Verstandelijke beperking
Beperking in het intellectueel functioneren, die gepaard gaat met beperkingen in de sociale (zelf)redzaamheid. Het intelligentiequotiënt (IQ) is lager dan gemiddeld (minder dan IQ 70). Er worden verschillende gradaties onderscheiden: lichte, matige, ernstige en diepe verstandelijke beperking.

Voorbeschiktheid
Er is sprake van voorbeschiktheid wanneer een persoon een aantal erfelijke kenmerken draagt die maken dat hij meer kans heeft dan anderen om een bepaald lichamelijk of psychologisch kenmerk of een bepaalde ziekte te ontwikkelen.

WISC
WISC (Wechsler Intelligence Scale for Children) is een intelligentietest voor kinderen van 6 tot 16 jaar.

Zelfmonitoring
Je bewust zijn van je eigen handelingen, denken, emoties, … en ze bijsturen op basis van dit bewustzijn. Zelfmonitoring kan aan de basis liggen van zelfregulerend gedrag.